Last minute

“Het last minute besluit over Lili en Howick zorgt voor pijn in de coalitie. De VVD wil van haar senaatsvoorzitter af. En de Nederlandse bombardementen tegen IS worden wegens succes gestaakt.” “Hoe bizar wil je het hebben: de politiek wil kinderen deporteren, de politie veroorzaakt bijna een halve klopjacht, het volk staat op, deportatie wordt last minute gestopt en de politiek claimt vervolgens het succes. Bizar. Bizar.” “Daar is Last Minute Luuk #FRANED.” “De zaterdagplannen zijn lastminute afgezegd. Wat zullen we morgen eens gaan doen?” “Yep. Zeker weten. Graag op tijd vallen zodat ik het kan inplannen voor @libelle Zomerweek 2019. Anders geeft het zo n gedoe. Dat last minute geregel, gebel en alles… “; De vraag is voor mij meer: hoe hard hebben #CU en #D66 dit gespeeld? Tot hoever zijn ze gegaan om #LilienHowick te laten blijven? Hoop dat daar t.z.t. een reconstructie van komt. En hoop nu vooral dat er nog een last-minute uitweg is voor #LiliHowick.”

Het was de afgelopen dagen wat. Geen plotseling besluit, maar een last minute besluit rondom twee kinderen die al tijden in angst leven. Net als dat de laatste aanbiedingen in reisland ook ineens last minute gingen heten en dan toch vaak pas een vertrektijd over een maand hebben. Laatste nipper besluit klinkt toch ook best aardig? Waarom weer dat Engels. Omdat we interessant willen doen, erbij willen horen, of heeft u een beter idee?

De term is in ieder geval al doorgedrongen tot Van Dale:

1last mi·nute (de; v(m); meervoud: last minutes)1op het laatste moment geboekte reis
2last mi·nute (bijvoeglijk naamwoord)1op het laatste ogenblik: last minute boeken

In 1951 was de Schotse ruit last-minute bag in en te koop voor 10,50 gulden. Eind 1973 roemt De Waarheid D.W. Griffith voor de last-minute rescues in zijn films. In 1974 verschenen de eerste advertenties met last minute stuntreizen in de krant. En die last minute reizen zijn niet meer weg te denken in de reiswereld, hoewel ze dus niet altijd geschikt zijn voor mensen die in de laatste minuut van een dag besluiten dat ze nu op reis willen. Integendeel. En de aanbieding is er vaak ook al af. Het is een lege term in de huidige reisbranche. Maar het bekt kennelijk lekker genoeg om er nu ook besluiten achter te hangen.

Niets mis met een besluit op het laatste moment, hoewel je in het geval van de twee kinderen kunt afvragen of het niet al na dat moment was. Maar noem het dan zo. Of laatste nipper besluit En bij de reizen kan het er helemaal wel vanaf. Daar is niks meer aan wat ook maar iets met het laatste moment of de laatste minuut te maken heeft.

Managen

“Louis over Roy, zo’n hype kon Bryan niet managen.” “Elk grassprietje moet worden verantwoord. Vervolgens gaan ze dat managen met 2 benen op het bureau en 1 vinger in de neus.” “Tijd om weg te gaan van het ‘managen’ van ‘resources’. Medewerkers zijn mensen. Tijd dus voor het managen van mensen.” “Het gaat om verwachtingen managen en de bot heel specifiek gericht 1 ding laten doen.” “Goed leven houdt in dat je kunt sturen, je energie kunt managen en zin kunt ervaren.”

Het nieuwe leiden is managen, zo lijkt het. Bedrijven zoeken geen directeuren of chefs meer, maar managers. Weer een woord waar we het kennelijk interessanter vinden om de Engelse term te gebruiken. Voor internationaale bedrijven en organisaties valt daar nog iets voor te zeggen, als het om de functietitel gaat. Maar om dan hier in het Nederlands ook de werkwoordversie te pas en te onpas te gebruiken, gaat mij persoonlijk iets te ver. Ik hou daarvoor te veel van de Nederlandse taal.

De eerste vermelding van het woord managers trof ik aan in het Bataaviaansch Handelsblad van 9 maart 1888. Zij deden hun stars schitteren, volgens de krant. Enkele jaren later, op 1 april 1905, verschijnt in diezelfde krant een bericht over ‘groote instellingen’ die hun zaken weten te managen. We jatten dus al heel lang uit het Engels deze term voor leiding geven, maar ook onder controle hebben. Want als je nu iets goed weet te ‘managen’,  heb je de boel onder controle.

Dat kun je ook gewoon zeggen, dat je het onder controle hebt of dat je ergens grip op hebt. En dat je leiding geeft. Dat zegt meer dan het managen dat inmiddels een verzamelbegrip is voor heel veel interessantdoenerij. En dat soort begrippen zegt vaak het minst, omdat ze heel veel en daarom juist helemaal niets betekenen.

Quick wins

“Als iemand me zoekt ben ik even wat laaghangend fruit aan het plukken qua quick wins.” “Eens, politiek is het vooral veel schreeuwen met puntige qoutes om aandacht te vragen en de snelle stem. Veel ad-hoc, quick wins en de lange termijn wordt onderbelicht.” “Kilometers geluidsschermen vervangen door zonnepanelen is ook nog zo’n Quick win.” “Ga je voor quick wins en kortetermijn-groei, of voor langetermijn-waarde?”

Meteen maar een bekentenis: ik heb deze woorden laten staan in een stuk wat ik laatst moest bewerken. Jaren lang heb ik deze woorden niet kunnen lezen zonder aan quick and dirty te moeten denken. En eigenlijk komt dat deels ook wel overeen. Snel en vies is een snelle winst. En daar gaat menig organisatie voor en ook degene waar ik voor werk en daarom heb ik het laten staan. De taal van mijn lezer volgend. Maar er zijn eerlijk gezegd ook veel Nederlandse alternatieven die ik had kunnen opschrijven: snelle acties, korte klappen, die laatste hoor je bijna niet meer, maar was voorheen ook populair in kantorenland. β

Quick win staat niet in de Van Dale en toch vindt Delpher de eerste vermelding al in 1925 bij een artikel over een voetbalwedstrijd. De etymologiebank heeft ook niks te melden maar dat de uitdrukking uit het Engels komt, is wel duidelijk. Zoals bij veel Engelse termen in kantorenland zijn ze via de marketing binnengekomen. Hoe behaal je snel resultaten zonder dat het veel moeite kost, snel en vies via de snelle winstpunten. Misschien vind ik het daarom nog steeds een beetje vies klinken.

Doen

“Even chill drankje doen.” “Op het #terras is ‘t ook gezellig, kom lekker een #drankje doen.” “Ik ga drankje doen in Utrecht, waar moet ik zijn?” “Doe jij eens heel snel kappen daarmee!” “Doe jij eens n dagverslag.”

Doen is het equivalent van smurfen, denk ik wel eens. Als klein meisje verwonderde het mij al als ik ouders tegen hun kinderen hoorde zeggen: “doe jij eens een doekje halen”, bijvoorbeeld. En tegenwoordig gaan mensen niet meer een drankje drinken op het terras of in de kroeg, maar een drankje doen. Wat doen ze er dan mee? Dat is toch echt meestal opdrinken, tenzij ze het omstoten.

Van Dale zegt dat doen een handeling uitvoeren is, dus wellicht ook drinken:

Doen
1. een werking 
verrichtenuitvoerenzo gezegd zo gedaan het uitgesproken voornemen werd direct uitgevoerdiets gedaan krijgen zorgen dat het gebeurtniets te doen hebben geen werk hebbenhet is niet te doen te moeilijk om gedaan te wordenertoe doen belangrijk zijn, meetellen, verschil maken(België) iem. laten doen hem zijn gang laten gaan.

Maar het is nog veel meer: 2. als beroep hebbenwat doet je vader? 3. iets verrichten ten voor- of nadele van het objectdie hond doet niets doet geen kwaad. 4. het gewenste effect hebbendat nieuwe boek deed het goed werd veel verkochtdat doet er niet toe maakt niets uit. 5. functionerende rem doet het niet meer. 6. (voortdurend) het genoemde verrichtenaan toneel doen. 7. het doen (met iem.) geslachtsgemeenschap hebben (met iem.). 8. zich uiten, zich gedragenmoeilijk, vervelend doen over een kwestie. 9. omschrijvend of versterkend werkwoordhij doet een pogingroken doet hij niet.

Niet alleen zijn de betekenissen talrijk, de geschiedenis ook al. De eerste vermelding is uit de tiende eeuw, volgens de etymologiebank: doen ww. ‘handelen, verrichten, maken; veroorzaken’. Onl. duon ‘doen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. doen.

En toch is dat doe jij eens iets doen nog niet zo oud. Wellicht zou de uitspreker ervan het willen scharen onder betekenis nummer zes. Maar ik vind het infantiel klinken en vraag me af of dat de juiste betekenis is. Zeker om dat het te pas en te onpas voorkomt, net als dat de smurfen voor elk werkwoord het woord smurfen gebruikte. Ik heb dan meer sympathie voor de persoon die een drankje gaat doen, want zelden blijft het bij een enkel drankje en daarom heeft het misschien meer van (voortdurend) het genoemde verrichten.

Draadje

“Draadje. Een paar rechtse opiniemakers probeert op dit moment op een nogal opzichtige manier het energiebeleid in diskrediet te brengen. Ze schuwen de grote woorden niet en gebruiken woorden als ‘gasgekte’. Maar zoals meestal zijn ze niet echt geïnteresseerd in de feiten.” “Tijd voor een draadje met mooie kattenrassen!” “Dit draadje met antwoord van AZG. complete waanzin. En steeds hetzelfde antwoord.”

Een draadje is bij mij meestal een hinderlijk loszittend deel van een kledingstuk, wat je het beste kunt afknippen voor het ergens aan blijft hangen en je ineens een gat in je kleding trekt. Op Twitter heeft het inmiddels een hele andere betekenis en betekent het vaak dat je een stroom tweets over je uitgestort krijgt. Het twitterwoord is de letterlijke vertaling van thread, draad. een twitterthread is een serie opeenvolgende tweets die een verhaal vertellen, of iets verduidelijken, of een mening weergeven met als gemene deler dat het niet in 240 tekens past en dus meerdere tweets vergt.

Het Nederlandse draadje kwam in 1761 voor het eerst voor in de krant, voor zover ik kon nagaan: ‘het haakje van de boot is met een rood draadje gebonden’, want draadjes hangen niet alleen aan kleren, maar dus ook aan boten en haakjes.

Is het nu gebruikte draadje dan echt wereldvreemd in het Nederlands? Nee hoor, we kennen immers al heel lang de uitdrukking de draad van een verhaal kwijt zijn. Ruim voor de intocht van Twitter. En wellicht klinkt draadje kleiner en lieflijker dan draad, waardoor het op Twitter een geliefd woord is voor een verhaal/reeks tweets achter elkaar.  Dus waar u daar een draadje leest, volgt de draad van het verhaal. volg het, of laat het los, die keus is aan u.

Reces

“Gaan ze weer met reces? Ze waren net begonnen…!!#2ekamer”. “Hallo hardwerkende burgers van NL: ‘De Tweede Kamer is vanaf vandaag met reces t/m maandag 5 maart 2018.” “Mocht je verwachting hebben: de TK is op reces.”

De gemiddelde Nederlander gaat op vakantie, politici gaan met reces. Het klinkt sjieker, maar is eigenlijk niets anders dan vakantie. Een eeuwenoude traditie om vakantie van bestuurders zo te noemen, of zoals het woordenboek het stelt:

re·ces (heto)1(vakantie)periode waarin een college niet vergadert

De etymologie ligt wat ingewikkelder. reces zn. ‘vakantie van bestuurs- of rechtscollege’
Vnnl. reces eerst ‘besluit, overeenkomst; verslag van onderhandelingen’ in nae dat … partyen gehoirt syn, is … reces gemaect [1528; WNT], dan op reces ‘na de laatste besluiten’ in de Staten van Zeeland zyn verleden woensdach … op reces … gescheyden [1632; WNT]; nnl. reces ‘vakantie van bestuurscollege’ in het reces der tweede kamer [1862; WNT].
Ontleend, zowel via Frans recès, ouder recez ‘besluit, overeenkomst, verdrag’ [1551; TLF], eerder al recès‘onderbreking, pauze’ [14e eeuw; TLF], als rechtstreeks aan Latijn recessus ‘het teruggaan, terugtocht, afgelegen plaats’

Maar een andere stroming zegt dat het woord uit het Engels komt:

1. Tydperk tussen sittings van die parlement of hof. 2. Vakansie tussen twee kwartale of semesters van ‘n opvoedkundige inrigting.
Uit Eng. recess (1620 in bet. 1). Die Mnl. bet. van reces is ‘raadsbesluit’, en hoewel die bet. ‘uiteengaan’ van Ndl. recesal uit 1632 dateer, het die Afr. bet. wsk. na die voorbeeld van die Eng. parlementêre taal alg. geword.

Het heeft dus nogal een historie en de kans is klein dat we reces ooit vakantie gaan noemen. Het heeft ook wel iets, al is het eigenlijk gewoon hetzelfde. Hoewel Kamerleden in de zomer over elkaar heen buitelen om te zeggen dat dat niet zo is. Want ze gaan heus nog wel op werkbezoek en hebben echt geen weken vakantie. Alsof de rest van Nederland alleen maar vrij heeft en niets doet tijdens de vakantie. Maar goed, historisch verantwoord is reces dus wel iets anders dan vakantie.

De oudste vermelding in een krant is ‘In plaats van een repliek een reces overgegeven’ (zinsnede vertaald) uit de Ordinarisse middel-weeckse courante van 22-06-1649. De Courante uyt Italien, Duytslandt, &c. vermeldt in april 1667 dat de Staten van Holland op zaterdag 14 dagen met reces gaan. Toen al. Twee maanden eerder dan nu bestond het al. Alleen noemen we het nu Krokusreces. Daarnaast hebben veel gemeenteraden nu al verkiezingsreces. Voor de Tweede Kamer is dat vanwege de raadsverkiezingen maar anderhalve dag: van 20 maart aan het eind van de middag tot en met 21 maart, de dag van de gemeenteraadsverkiezingen. Nu zijn de bewindslieden, Kamerleden en waarschijnlijk ook hun entourage even aan het genieten van de vakantie om daarna vol in campagne te gaan.

Participatiesamenleving

‘De burgers die het ‘t moeilijkst hebben, hebben het minste profijt van de participatiesamenleving.’ ‘De ‘participatiesamenleving’ is niets anders dan een bezuiniging op sociale voorzieningen en zorg, zodat de rijken niks zullen missen.’ ‘Dit lag helaas in de lijn der verwachting. Die ‘participatiesamenleving’ gaat nou eenmaal uit van zelfredzaamheid.’ ‘Vandaag is de Participatiesamenleving vier jaar geworden. Deze bezuinigingskleuter mag nu naar school.’

Zou het dit jaar weer in de Troonrede staan? Participatiesamenleving? Vier jaar geleden sprak koning Willem-Alexander dat woord uit in zijn eerste Troonrede. Het woord is ook de hele ochtend al te horen op Radio1. De participatiesamenleving…. Wat mij betreft een foute tautologie. De koning wilde ongetwijfeld benadrukken dat we samen moeten leven, maar dat zegt samenleving al. En we moeten meedoen. Maar als je echt samenleeft, dan doe je toch al dingen met elkaar en doe je mee?

Tijdens het congres van Onze Taal, eind 2013, koos een kwart van de ruim 1300 aanwezige bezoekers participatiesamenleving als Woord van het jaar 2013. Een maand later won het woord de Vaagtaalverkiezing van 2013. Volgens Vaagtaal.nl was het een nipte overwinning: participatiesamenleving kreeg 13,6% van de stemmen, terwijl de nummer twee, uitbodemen, bleef steken op 13,0%. Derde werd horizontaal beleid, met 11,8%.

De participatiesamenleving heeft zelfs een eigen wiki: “De term participatiesamenleving betekent , dat de overheid voortaan uitgaat van de eigen kracht en zelfredzaamheid van eenieder. Ziek of gezond, weerbaar of kwetsbaar, oude of nieuwe Nederlander, alle burgers hebben naast rechten op zorg en andere voorzieningen, ook de plicht om voor zichzelf en hun omgeving op te komen. De huidige verzorgingsstaat dreigt door de voortdurend stijgende zorgkosten onbetaalbaar te worden. De discussie over de participatiesamenleving is ook verdelingsvraagstuk: wat is de rol van de overheid, de markt en de burger.”

Onlinewoordenboek Van Dale doet er niet aan: Het woord is verkeerd gespeld of het staat niet in het gratis woordenboek. Ook de etymologiebank kent het woord nog niet. Ongetwijfeld komt daar ooit nog eens de opmerking te staan dat het woord dateert van 18 september 2013 toen koning Willem-Alexander het in zijn eerste Troonrede noemde. Hij gaf er destijds meteen zijn betekenis bij, of beter die van premier Mark Rutte (VVD) die de rede schrijft. Letterlijke tekst uit de Troonrede 2013: “Het is onmiskenbaar dat mensen in onze huidige netwerk- en informatiesamenleving mondiger en zelfstandiger zijn dan vroeger. Gecombineerd met de noodzaak om het tekort van de overheid terug te dringen, leidt dit ertoe dat de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een participatiesamenleving. Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving.”

Ik ben benieuwd of hij het dit jaar weer aandurft. Ik hoop van niet. In een samenleving leef je met zijn allen en doe je dus ook mee. Van Dale is het met me eens:

Betekenis ‘ participatie ‘

par·ti·ci·pa·tie (devmeervoud: participaties)1het hebben van aandeel in ietsdeelname

Betekenis ‘ samenleving ‘

sa·men·le·ving (dev)1het geheel van de met elkaar verkerende mensenmaatschappijde moderne samenleving

Samenleving met nadruk op samen zou voldoende moeten zijn. Dat doe je met zijn allen en dan heb je dus ook een aandeel in iets. Hij zou het warm kunnen uitspreken, zoals alleen de koning dat kan. Dat zou mooi zijn. En samen kunnen VVD, CDA, D66 en ChristenUnie dan trots zijn op de Troonrede die zij ongetwijfeld met een vleugje demissionair PvdA hebben onderschreven. En dan kan er snel een kabinet zijn en gaat de vis in de krant met de Troonrede. Niets bijzonders, want samenleven doen we al eeuwen. En dat gaat ook gewoon door zonder missionair kabinet, net als Prinsjesdag.

Setting

“Je speelt nu pubs en niet in competitive setting.” “Genoten van magische muziek in prachtige setting; dank!” “Omdat het interview in neutrale setting plaats vindt en docu Klaver is gemaakt als content marketing door PR man en vriend van Klaver.” “Schitterend decor en setting bij theaterspektakel Reukema. Dit soort theater is mooie aanvulling op programma theater.” “Pas op! Zulke figuren kunnen in een andere setting een gevaar worden.”

Even bij de settings kijken, een veelgehoorde opmerking onder vroege computerliefhebbers die zelf uitvogelden hoe het apparaat werkt en hoe ze het naar hun hand kunnen zetten. Nu kijk je bij de instellingen, maar speel of geniet je van settings, zoals de tweets hierboven suggereren. Geen instellingen, maar omgeving. Of decor, maar je kunt het dus schijnbaar ook dubbel gebruiken. Onmiskenbaar weer een woord om sjiek te doen.

Omgeving klinkt te goedkoop, dus maken we er als talenkenner en interessantdoener het Engelse setting van. Of het is gewoon een poging om erbij te horen, want in de taal is en blijft de mens een kuddedier. Woorden nemen we over van de voorhoede van de kudde en komen soms verbazingwekkend snel bij de achterhoede terecht. Dit keer is het ook al doorgedrongen tot Van Dale:

set·ting (de; v(m); meervoud: settings)1omstandigheden waaronder iets gebeurt

En de etymologiebank kent het woord al sinds 1971: setting [achtergrond] {1971} < engels setting [montuur, omlijsting, achtergrond], van to set [zetten, plaatsen] (vgl.zetten).

De eerste vermelding in een Nederlandse krant was in het NRC in 1990 naar aanleiding van het rapport ‘Setting priorities in prevention’ dat door het TNO-instituut voor Preventieve Gezondheidszorg aan het ministerie van WVC is aangeboden. Op 22 april 1992 verschijnt het woord in Trouw in de nu zo vertrouwde betekenis van omgeving. En dat het soms snel maar soms ook traag gaat met nieuwe woorden in Nederland blijkt uit het feit dat pas in 1999 het woord elke maand wel in een krant verschijnt en sinds 2003 elke week wel een keer.

Dat de term computer uit het Engels komt, maakt dat daar ook settings inzitten. Nu hoor je het nog zelden en gebruikt bijna iedereen het woord instellingen. Beter. Ik ben benieuwd wanneer de omgeving of omstandigheden weer in de mode raakt en setting uitsterft in het Nederlands. Omgeving vind ik zelf ook passender, je bent door het moois omgeven. Dat voelt warm en veilig.

Prikkel

“Je baan opzeggen, WW krijgen en in alle rust kijken wat je gaat doen. Waar is de prikkel om heel snel een baan te zoeken?” “Na de 0-0 tegen MSV’19 vandaag een 5-0 nederlaag tegen DESTO. Conditionele prikkel. Wie maakt het 1e doelpunt?” “Ben voor minimaal eigen risico, ivm prikkel. Ben nog van die tijd dat gezondheid de verantwoordelijkheid van het systeem was.” “? Eigen risico is geen ‘boete op ziek zijn’ maar een prikkel tot selfmanagement.” “Uitbetaling op basis van het aantal likes: eerlijk, of een verkeerde prikkel?”

Politieke partijen zijn er dol op, of misschien zijn het de politici zelf: prikkels. En ze zijn bijna allemaal tegen perverse prikkels. In veel debatten valt het woord wel een keer, of het over vluchtelingen, de bankensector, bijstandsgerechtigden of de mensen die het meest verdienen gaat: je moet ze prikkels geven. In het ene geval om terug te gaan of ‘mee te doen in de maatschappij’, in het andere geval om meer of juist minder geld binnen te halen. Een prikkel dus, of ook al gehoord: incentive.

Het woord komt ook voor in de verkiezingsprogramma’s en op de sites van politieke partijen. In het laatste geval een snelle telling op de sites van de formerende partijen met dank aan Google: 98x op vvd.nl, 210x op cda.nl, 171x op d66.nl en liefst 3900x op christenunie.nl, waarbij alle afgeleide sites van de vier partijen in de telling zijn meegenomen.

De politici gebruiken het woord vaak in de derde betekenis die in de Van Dale staat vermeld:

prik·kel (demmeervoud: prikkelsprikkelen)
stekel
inwerking op de zintuigen of zenuwen
aansporing, aanmoediging

Maar het doet bij mij betekenis 2: het werkt op mijn zenuwen. Want wat is die prikkel dan. Vaak gaat het om geld. Bijstandsgerechtigden moeten prikkels krijgen om zelf geld te gaan verdienen door een baan te vinden en het bedrijfsleven moet prikkels krijgen om de mensen aan de top niet exorbitant veel te betalen. Van dat soort zinnen gaat betekenis 1 bij mij overeind staan, want vaak leidt dat weer tot veel nieuwe regels waar niemand baat bij heeft. Maar politici zijn vaak maar vier jaar aan de macht, delen prikkels uit en hun voorgangers breken die weer af en leggen eigen prikkels op. Dat is de politiek en eerlijk gezegd heeft dat ook zijn charme. Als golven gaat het beleid op en neer. Dat kan ook gewoon met aansporingen. Daar heb je geen stekels bij nodig. Hoewel bij paardrijden ligt dat voor cowboys weer iets anders, maar dat terzijde.

De etymologiebank meldt het volgende:

prik I (’t prikken, geprikt gaatje enz.), sedert Kil., die ’t holl. noemt. Bij hem ook voor ’t eerst ’t ww. pricken (nnl. prikken) = mhd. pfrëcken, mnd. pricken “prikken, steken”. Laat-mnl. komt. al prickelen “prikk(el)en” (nnl. prikkelen) voor, prickel znw. misschien in Salomon ende Marcolphus (± 1500) voor prijckel te lezen (nnl. prikkel); mnd. reeds pricke v. “prikkel, puntig werktuig voor palingvangst”: maar vroeger komen de vormen met één k voor: mnl. (nog zuidndl.) mnd. prēkel m. = ags. pricel m. (pricla m., pricle v.) “scherpe punt, puntig voorwerp”, vgl. os. prëkunga v. “steek, prik”, ags. prica m. “puntje, klein deel”, prician “prikken” (eng. to prick), on. prika “steken, stooten”. Ags. echter ook â-priccan “prikken”. Verwant is lit. brėżiu, brėżti “krassen”.

Een kijkje in het krantenarchief leert dat in 1992 het Algemeen Dagblad een artikel heeft over elektrische prikkels in het hart. NRC Handelsblad meldt drie maanden later dat de CNV-bond past voor louter negatieve prikkels en Trouw kopt een paar weken later dat de FNV-bond prikkels tegen ziekteverzuim na ’94 denkbaar acht. De vakbonden hebben het woord in de politiek gebracht. In het begin dus vooral over de wao waarbij Lubbers pleitte voor het invoeren van prikkels om het bedrijfsleven te stimuleren om er minder beroep op te doen. Met een mooi citaat van hem opgetekend door het Algemeen Nederlands Persbureau in april 1994: “Het gaat in ieder geval om prikkels, prikkels en nog eens prikkels”, aldus Lubbers. En zelfs nu gebruiken CDA-politici het nog graag: de eerste tweet was van een wethouder van het CDA.

Meeting

“Zo de wagen staat geparkeerd.. nu maar op kantoor wat mensen vervelen met meetings enzo.” “10.000 FvD-leden. Tienduizenden nazitrolls op FB en Twitter. Honderden die meetings dreigend verstoorden.” “Er komen nog meetings dit jaar, wanneer weet ik nog niet precies!” “Strandslippers? Hotel gereserveerd? Meetings ingepland? Workshops gereserveerd?” “Werk = meetings, meetings, meetings. We praten wat af. En de week is pas maandag over, dus ik zal zo de keel maar weer smeren”

Enzo Knol, bekend vlogger met 1,5 miljoen volgers noemt ontmoetingen met hem meetings. En vandaag begint voor veel mensen de eerste werkweek na de vakantie en ook zij kijken uit naar de bijbehorende meetings. Dat melden ze in ieder geval op Twitter. Vergaderen is niet meer genoeg, werkoverleg ook niet. De moderne kantoortijger gaat naar een meeting.

Van Dale ziet er geen kwaad in en heeft het woord opgenomen in het woordenboek:

mee·ting (de; v(m); meervoud: meetings) 1 openbare bijeenkomst

Onze Taal heeft het ogenschijnlijk ook al geaccepteerd als een toevoeging aan de Nederlandse kantoortaal, al wil ik u dit stuk over de invloed van andere talen op de voetbaltaal van René Appel niet onthouden.

De etymologiebank noemt 1869 als introductiejaar voor het woord in het Nederlands en ja, het komt uit het Engels: meeting [bijeenkomst] {1872} < engels meeting, eigenlijk gerundium van to meet [ontmoeten]; een verouderd equivalent van meeting is moot.

In de Nederlandse media is NRC Handelsblad de eerste die het woord gebruikt en wel bij een verslag over de opening van de October Meeting, een jazzfeest in 1991 en een week later bij een sfeerverslag over de meeting die de hele week heeft geduurd. Metal Meetings, Jazz Meetings en Music Meetings volgen. Begin van deze eeuw komen daar automeetings en atletiek meetings bij, gevolgd door spirituele meetings en management meetings. Pas in 2010 maakt Alphencc. in een artikel reclame voor een systeem en gebruikt meeting als equivalent voor vergaderen en overleggen: “Je bespaart er veel tijd mee en je kunt precies in de gaten houden welke taken al gedaan zijn. Vergadersyteem. Meeting Systems in ontwikkeld door Alphenaar Jaap Roggeveen.” En daar sloop het onze taal in en het is nu niet meer weg te denken in kantorenland. Niet op het mijne, maar ik zit alleen op kantoor.

Waarschijnlijk omdat we het veel doen in Nederland is er behoefte ontstaan aan alternatieven voor het woord vergadering. Naast meeting zijn dat overleg, samenzit, bijeenkomst, afspraak, assemblage, bijeenroeping, bijeenzijn, colloquium, conferentie, congres, convent, ontmoeting, oproeping, rendez-vous, reünie, samenkomst, samenzijn, workshop, zitting, bespreking, conferentie, onderhoud etc.. Een bonte verzameling met Franse en Engelse trekjes, zelfs nog een beetje Latijn, maar keuze genoeg ook in het Nederlands.