Rudy Uytenhaak: ‘Ruimtelijk voorstellingsvermogen nodig’

Verdichting in de stad. Veel bestuurders worstelen ermee en kiezen vaak voor de gemakkelijkste weg: de lucht in. Een doorn in het oog van de Amsterdamse architect Rudy Uytenhaak. Hij benadrukt de mogelijkheden voor meer variatie met laagbouw. Uytenhaak onderzocht als praktijkhoogleraar aan de TU Delft de verdichting in de stad en schreef het boek ‘Steden vol ruimte, kwaliteiten van dichtheid’.

Het geheim van de steden is volgens Uytenhaak dat veel mensen er willen wonen vanuit het vermoeden dat er meer potentieel is, meer gebeurtenissen, mensen en verhalen. Om iedereen een plek te geven wordt te vaak meteen gedacht: dat wordt hoogbouw. ‘Als een legbatterij in Wageningen. Gestapeld in hokjes zitten, alles hetzelfde, saai en weinig te melden. Het potentieel is weg. Je moet je omgeving kunnen lezen op culturele dimensies en je eigen identiteit daarin kunnen kiezen en nader vormgeven.’

 Voorstellingsvermogen

‘Dat mensen die naar de stad willen, een appartement moeten accepteren, slaat nergens op. Een appartement is niet synoniem aan de stad. Voor diversiteit is ruimtelijk voorstellingsvermogen nodig.’ Uit woonwensonderzoek blijkt dat de meeste mensen een woning met tuin willen. ‘Maar dat komt misschien door het gebrek aan keuzes. De optie van een huis zonder bovenburen staat er bijvoorbeeld niet bij.’

Uytenhaak heeft een aantal typen bebouwing onderzocht. De puntbebouwing, villa’s tot torens met ruimte en uitzicht eromheen, de patiowoning met meer privacy en strook- en blokbebouwing oftewel rijtjeshuizen of flats. Hij verwacht kleinere huishoudens in grotere woningen. Oplopend tot 1,8 personen met een vloeroppervlak van ongeveer 85m2 per persoon in het jaar 2050. Dat is veel meer dan nu, maar kan volgens hem goed zonder de lucht in te gaan. ‘Stel je hebt een voetbalveld en je bebouwt 75 procent ervan met patiowoningen in twee lagen. Dan heb je 25 procent onbebouwde ruimte en bij twee lagen 150 procent vloeroppervlak. Stel dat je bij puntbebouwing ongeveer 12,5 procent bebouwt, omdat je het uitzicht nodig hebt voor de lichtinval. Dan moet je twaalf verdiepingen bouwen om dezelfde verdichting te halen als bij de patiowoningen.’ Bovendien zijn bij de laatste liftschachten, trappenhuizen en leidingkokers overbodig. Zo valt met laagbouw grotere woningen bij een gelijke dichtheid te krijgen als bij stapelen. ‘Niet per se beter, wel meer keuze.’ Technische berekeningen in zijn boek ondersteunen zijn pleidooi, met factoren zoals lichtinval, Floorspace index (verhouding tussen vloeroppervlak tot terrein, bebouwingspercentage maal stapelingsfactor) en negen wetten van dichtheid.

Den Haag

Den Haag, ingeklemd tussen zee, natuur en buurgemeenten, moet ook verdichten. Uytenhaak vindt dat wethouder Marnix Norder van Bouwen en Wonen, zijn nevenfunctie als voorzitter van de Stichting Hoogbouw eer aan doet met plannen voor hoogbouw op verschillende plekken, bijvoorbeeld aan de Scheveningse kust. ‘Mijn pleidooi is dat de oplossing diverser kan zijn’, zegt Uytenhaak. Hij is niet tegen hoogbouw, maar ziet veel voordelen in intensieve laagbouw. ‘Je bent dichter bij de publieke ruimte, die daardoor meer leeft, de woningen zijn gemakkelijker aan te passen, de sociale cohesie is groter, duurzamer met minder materiaal en energie. Alleen tegen Manhattanachtige dichtheden legt mijn idee het af.’

Den Haag is een goed voorbeeld van minder mensen in dezelfde ruimte. Van 605.000 inwoners in 1960 waren enkele jaren geleden nog 440.000 over. ‘Een kwart van de inwoners verliet de stad, omdat die niet overeenkwam met hun aspiraties. De nadruk in de Agenda voor Verdichting van Norder ligt op meer dichtheid en grotere woningen. Daar vinden we elkaar. Hij trekt wel sterk de troefkaart van hoogbouw, stapelen als synoniem voor dichtheid. Ik vind dat stapelen tegenover het bebouwingspercentage moet worden afgewogen. Anders voelt het als in de eerste versnelling plankgas gaan: veel toeren maken, maar nog niet hard rijden.’

Norder is ook voor meer diversiteit en creativiteit. Hij ontkent sterk de troefkaart hoogbouw te trekken: ‘Wij zijn de eerste gemeente met een Agenda voor de Verdichting, waar ik juist in beschrijf waar geen hoogbouw komt. In de open ruimte niet, wel rond Den Haag Centraal Station. Daar staan al torens en komen er vijf bij van meer dan 100 meter.’ Het aandeel van nieuwbouwwoningen in hoogbouw ligt volgens de wethouder de komende jaren in zijn stad onder de tien procent van het totaal.

Discussie

Uytenhaak neemt het politici overigens niet kwalijk dat zij niet over kennis van verdichting beschikken. ‘Ik neem mijn vakbroeders wel kwalijk dat wij onze kennis niet overdragen. En natuurlijk met hoogbouw timmeren machojongetjes aan de weg, als ontwikkelaar, architect en politicus, uit dadendrang, of omdat binnen vier jaar moet scoren. Mijn tip: maak een mooi plein.’

Uytenhaak heeft het praktijkhoogleraarschap aan de TU Delft gebruikt voor het onderzoek naar verdichting en dat in het boek beschreven. Hij wil de discussie over verdichting onder architecten opstoken met zijn wetenschappelijke benadering. De kennis moet ook doordringen bij de politiek. ‘Daar heerst het idee “centraal wat moet en decentraal wat kan”, maar provincies, gemeenten en wethouders van grote steden kunnen dit probleem onvoldoende aan. Daarvoor zou een landelijk kennisinstituut moeten komen, een soort TNO ruimtegebruik, waar gemeenten en provincies kennis kunnen bijtanken. Het instituut moet de economische en stedenbouwkundige krachten achter het ruimtegebruik in de gaten houden en inspireren.’ Architect Adriaan Geuze is het niet eens met de kritiek. ‘Er zijn al zoveel instituten en toch wordt de ruimte verkwanseld. Eentje erbij helpt niet.’

Norder wijt het kennisgebrek mede aan het opheffen van de Rijksplanologische Dienst. ‘De vakkennis is verdwenen. Ook ik zou baat hebben bij een inspirerend kennisinstituut, al is hier de kennis op orde.’ Voor verdichting in de stad is volgens de wethouder ook extra geld nodig, omdat verdichting 30.000 euro kost per woning.

Uytenhaak wil niet als veel collega’s in de litanie vervallen dat alle bouwregels slecht zijn, vooral het verkleinen van het ruimtelijk voorstellingsvermogen werkt beperkend. Het werkt als selffulfilling prophecy. Als je voldoet aan de eisen, heet het goed te zijn, maar dat is niet hetzelfde als kwaliteit leveren.’ Er is meer mogelijk en hij pleit voor hogere verdiepingslagen, zoals ze vroeger nog de Woningwet werden gebouwd. Dat geeft meer lichtinval wat het woongenot bevordert. ‘De 2,4 meter plafondhoogte uit de Bouwverordening leidde tot het gevoel van de legbatterij, benauwende dichtheid in plaats van potentieel, dat lijkt me niet goed.’

‘Mensentaal begrijpelijk maken voor computer’

Mensen spreken een taal die computers niet kennen. Een oplossing voor een bepaald probleem gedefinieerd in een taal die computers wel begrijpen, komt vaak niet overeen met het probleem zoals door mensen beschreven. Daarom zou er een soort vertaalprogramma moeten komen om problemen van mensen te vertalen naar een taal die computers en informatici spreken. Dat vereenvoudigt de communicatie en beter nog: het programmeren wordt er eenvoudiger op.

Model Driven Software Evolution, MoDSE houdt zich met dit probleem bezig. “Een software probleem en een probleem van een mens komen niet overeen. Met het project willen we de oplossing beschrijven in het probleemdomein en niet in het oplossingsdomein: we willen iets vinden wat het gemakkelijker maakt voor de klant en niet voor de computer”, zegt Jippe Holwerda, afstudeerder Computer Science aan de Technische Universiteit Delft bij Eelco Visser, de projectleider van MoDSE.

In het door JACQUARD meegefinancierde project werkt de TU Delft samen met industriële partners Atos Origin, Getronics Pink Roccade, CWI, Amersfoortse Verzekeringen en Ordina. Meinte Boersma, Transformation Specialist werkt vanuit Atos Origin mee aan het project. Zijn werk is van het ene model een ander te maken. “Dat kan werkelijk alles zijn. Wat belangrijk is dat je het op kunt schrijven”, aldus de wiskundige. “Je kiest een domein, bijvoorbeeld pensioenen. Binnen dat domein wordt gecommuniceerd met behulp van een eigen vaktaal.” Holwerda: “Informatici hebben ook een eigen taal en in dit project proberen we het verschil te verkleinen. Vanuit een model met relevante informatie en jargon, maken we de vertaling naar de gangbare oplossingen in programmeertaal. De menselijke taal is breed en soms heeft een woord meerdere betekenissen. Dat snapt een computer niet. Wij maken daarvoor vertaalprogramma’s per vaktaal of domein: Domain Specific Languages.” B

Boersma: “We maken er een soort minitaal van: precies ingewikkeld genoeg voor wat je ermee moet kunnen, vergelijk het met ‘camping Frans’. Voorheen moesten opdrachtgevers op papier en in hun eigen taal aangeven wat zij anders wilden aan de software. De programmeur verwerkte dat in de te ontwikkelen applicatie. In die procedure kan door misverstanden veel mis gaan. Handiger is het als de opdrachtgever zijn eigen taal kan gebruiken en de computer die zelf vertaalt.” De vertaalprogramma’s die binnen MoDSE worden ontwikkeld richten zich specifiek op een bepaald domein. Door te focussen op een bepaald domein kunnen goede abstracties worden gemaakt, wat de ontwikkeling van software voor dat domein drastisch moet vereenvoudigen. Een domein kan een branche zijn met eigen jargon, zoals de zorg en de bouw. Een andere vorm van een domein ligt op het gebied van webapplicaties. “Je hebt ook weer kruisingen, bijvoorbeeld omdat de applicatie van de bouwsector de financiële taal moet begrijpen”, schetst Holwerda.

Verandering

MoDSE onderzoekt hoe nieuwe talen kunnen worden ontwikkeld en hoe die door de tijd veranderen. De E in MoDSE staat niet voor niets voor Evolution. Een taal is altijd aan verandering onderhevig en de computer moet daarin meekunnen. Holwerda: “Het doel is dat we goedkope software maken met minder fouten. En dat is heel erg nodig. Kijk maar naar de lijst mislukte ict-projecten, zoals recent bij de Belastingdienst. Dat is een ideaal domein om te modelleren, maar de techniek is nog niet zover dat we daar zo een oplossing voor hebben.” “Toch kan er al veel worden gemodelleerd, omdat er duidelijke regels achter zitten, namelijk de Belastingwet”, vult Boersma aan. Maar als nu iets in de wet verandert, moet het hele systeem op de schop. De complexiteit is hier het probleem, concluderen beide heren. “Dat is veel breder: dingen zijn te complex en er zijn te weinig programmeurs. We zoeken naar het juiste abstractieniveau”, schetst Boersma.

Kijkje in de keuken

Atos Origin heeft baat bij de samenwerking met de TU Delft en de andere betrokken partijen in MoDSE. “De colloquia bij MoDSE zijn erg interessant en daar kunnen we wat van opsteken. Daarnaast houden we onze praktijkproblemen als het ware tegen het academische licht met de vraag hoe zij iets zien. Ons doel is natuurlijk om beter, sneller en goedkoper software te maken”, stelt Boersma. Holwerda vindt het op zijn beurt interessant om met het bedrijfsleven in het project te zitten, omdat die gewin willen halen uit het onderzoek. Hij loopt voor zijn afstuderen mee bij ATOS Origin en krijgt een kijkje in de keuken. “Het bedrijf heeft klantenprojecten en het is mooi om te kijken of de techniek ook daar inzetbaar is. Welke projecten dat zijn? Dat is bedrijfsgeheim.”

In het MoDSE werken meer commerciële partners, concurrenten van ATOS Origin. “Af en toe moeten we opletten wat je wel laat weten en wat niet”, zegt Boersma. Holwerda noemt het de kunst om op hoog niveau samen te werken, zonder teveel details prijs te geven. “Goede uitvindingen zijn juist de modeltalen voor een bepaald domein en de vertaalprogramma’s die daarbij horen. MoDSE probeert een basis te leggen en het is aan de industrie om eigen talen voor hun domein te ontwikkelen.”